Symptoomkind

‘We hebben alles geprobeerd, maar Amir blijft maar andere kinderen slaan. Thuis is hij al helemaal niet te hanteren. Hij heeft maling aan de regels en aan ons. Iemand moet hem weer in het gareel krijgen’. Aan mij de schone taak.
De moeder van Amir was, net als vele ouders van symptoomkinderen, radeloos en deed een beroep op de hulpverlening om haar kind ‘weer in orde te maken’. Of om toch tenminste te vertellen wat er aan de hand was met Amir, waarom hij zo raar deed.
Maar er was eigenlijk niet zoveel aan de hand met Amir, als wel met het hele gezin. De reactie van Amir was voor hem een hele functionele. Thuis bouwde hij frustratie op, die hij niet kwijt kon. Onder woorden brengen wat er thuis speelt, als je überhaupt al het besef hebt wat er precies mis is, is te veel gevraagd voor een kind van tien. Amir raakte zijn frustratie enigszins kwijt door te slaan. Hij wist eigenlijk wel dat het verkeerd was, maar hij had een paar keer gezien dat het voor zijn vader zo werkte. En een andere manier om zijn gevoelens te uiten had hij niet. Hij was tenslotte tien en geen prater. Andere kinderen wilden niet meer met Amir spelen. Hij had geen vriendjes. Daar raakte hij weer extra gefrustreerd en verdrietig van. Amir had thuis en op school niemand die hem begreep. Amir’s gedrag verergerde met de jaren en hij werd als onhandelbaar bestempeld.
Kinderen zoals hij worden regelmatig ‘uitgeleverd’ aan de hulpverlening. ‘Wij weten het niet meer. Jij hebt er toch voor gestudeerd?’
En dat is pijnlijk, in eerste instantie voor het kind, maar ook voor de ouders. Zij zijn in een machteloze positie beland. Moeten toegeven dat het je zelf niet meer lukt, als het op je kind aankomt, is moeilijk. En het is ook precies de reden waarom mensen zo laat bij de hulpverlening aankloppen, vaak als de situatie al helemaal uit de hand gelopen is.

Door gesprekken met het gezin van Amir kwam ik er achter dat de ouders al jarenlang in een relatiecrisis verkeerden. Vader was kritisch en direct, moeder was teruggetrokken en een stuk stiller. Dat was niet altijd zo geweest. Toen ze trouwden (hun huwelijk was door de families gepland, ze kenden elkaar voorheen nog niet), was moeder een uitgesproken, opgewekte vrouw. Een beetje eigenwijs zelfs. Dat botste met de directheid van vader, die dingen graag op zijn manier had. Een aantal keer waren ruzies uit de hand gelopen en was het tot geweld gekomen. Amir had dit gezien toen hij nog heel klein was. Ouders waren hier beiden erg van geschrokken en hadden besloten dat dit niet meer mocht gebeuren. Ze vonden een nieuwe modus om met elkaar om te gaan, helaas eentje waarbij vader de dienst uitmaakte en moeder zich schikte. Moeder kwam zelf uit een gezin waar haar moeder zich schikte naar de wensen van haar vader en had dus geen betere oplossing voorhanden. Aankloppen bij de hulpverlening was iets dat in hun cultuur ‘not done’ was volgens hen. Maar ze baalde ervan om zo te leven, ze had zich nog zo voorgenomen om niet zoals haar moeder te worden. De gedachte dat haar kinderen zouden opgroeien met geweld was echter nog veel ondraaglijker, dus zij schikte zich in haar rol. Vader was ook niet gelukkig, hij miste de vrolijke vrouw met wie hij getrouwd was. Maar er was hem verteld dat dat nu eenmaal gebeurde, ‘het huwelijk maakt vrouwen zuur’. Dat had hij bij zijn eigen ouders ook gezien. Af en toe kwam het nog tot een woordenwisseling, maar de ouders van Amir waren grotendeels langs elkaar heen gaan leven, waarbij er over en weer functioneel werd gecommuniceerd.
Voor Amir was de situatie zoals die was. Hij kende niets anders, dus zou je ook met geen mogelijkheid kunnen vertellen waar het thuis aan schortte. Maar zijn gedrag vertelde mij heel veel. Het vertelde mij over opgekropte energie en een gemis aan warmte en begrip. Bij alle gezinsleden welteverstaan.
Kinderen als Amir kun je niet helpen zonder de ouders te helpen. Dat is dweilen met de kraan open. Sterker nog, de enige manier om Amir te helpen op dit punt in zijn leven, is om de ouders te helpen. Maar dan lopen we aan tegen de grenzen van de institutionele hulpverlening. Want instanties voor Jeugdhulp doen geen relatietherapie.
Maar dat is wel wat Amir het meeste nodig heeft: een thuissituatie die warm en veilig is. Twee ouders die het goede voorbeeld geven, zodat hij niet later in zijn leven gaat doen wat zijn vader deed. Hulpverleners die bij een instantie werken zijn hier niet schuldig aan (al zou een meer gezinsgerichte blik vaak op z’n plaats zijn). O.a. via de jeugdwet subsidieert de gemeente allerlei hulpverlening voor jongeren. Instanties draaien grotendeels op deze subsidies en mogen daarom geen relatietherapie aan ouders aanbieden. Soms, als de problematiek goed in beeld is, worden ouders verwezen naar een relatietherapeut en dat is dan al heel wat. Het volgende probleem is echter dat relatietherapie niet wordt vergoed. Niet door de verzekeraar en ook niet door de gemeente. En goedkoop is het zeker niet. Daar valt tegen in te brengen dat het een stuk goedkoper is dan uit elkaar gaan. Maar vertel dat maar eens tegen een gezin dat de eindjes aan elkaar moet knopen. En dus gaat het verhaal van het symptoomkind verder, van generatie op generatie.

Kinderen en jongeren ontwikkelen niet zomaar uit het niets problemen. (Volwassenen overigens ook niet.) Bijna altijd is het een reactie op de thuissituatie. Dat is geen beschuldiging. De perfecte ouders bestaan niet, en bijna iedere ouder heeft het beste voor met zijn kind. Maar we hebben allemaal onze blinde vlekken en mankementen en vaak dragen we die van generatie op generatie over.
De taak van de hulpverlener is om deze patronen op te sporen en zichtbaar te maken, zodat er iets beters voor in de plaats kan komen. Dat gaat niet als je je enkel richt op het individu dat de symptomen vertoont. Individueel werken is als een plantje oplappen en vervolgens weer terugzetten in de oude, ongezonde aarde waar het uit kwam.
Laat je je er toe verleiden om met het kind alleen aan de slag te gaan, dan begin je al verkeerd. Door een kind of jongere individueel in behandeling te nemen, bevestig je impliciet dat hij of zij het probleem is. Voor een kind dat zich toch al de zondebok voelt of ervan overtuigd is geraakt dat er iets mis is met hem of haar, is deze bevestiging erg pijnlijk.
Het kan natuurlijk zo zijn dat de oorzaak van het probleemgedrag niet in het gezin ligt, maar dan nog is de boodschap: ‘ga het maar alleen uitzoeken met de hulpverlener’ er eentje waarbij het kind in de steek gelaten wordt.
Nu kun je natuurlijk stellen dat je als gezinstherapeut bij een instelling wel met het hele gezin kan werken, dus iedereen samen in therapie. Daar kom je vaak ook een heel eind mee. Je kan meer onderling begrip creëren en destructieve patronen tussen ouders en kinderen proberen om te buigen. Maar als de destructieve patronen tussen ouders onderling blijven voortbestaan, kan het gezin nooit helemaal weer gezond worden. In situaties zoals die van Amir (en die zijn eerder regel dan uitzondering), is relatietherapie nodig. Ouders hebben vaak nog dingen met elkaar uit te zoeken waar de kinderen niet bij moeten zijn.
Dan is het tijd om het symptoomkind te bedanken dat het aan de bel heeft getrokken, en de verantwoordelijkheid weer te leggen waar die hoort, namelijk bij de ouders. Die hebben werk te verzetten. Voor mij is Amir de held in dit verhaal. Hoe het voor dit gezin afliep weet ik niet. Zij zijn een van de vele gezinnen waar geen geld was voor relatietherapie. Misschien zie ik Amir in de toekomst met zijn eigen gezin.

2 gedachten over “Symptoomkind

  1. Jacqueline

    Zo herkenbaar uit mijn dagelijks werk, het symptoomkond en de huidige “gangbare” werkwijze in de jeugdhulpverlening….Zo krachtig dit “tegen-geluid”, dank je wel!!

    Reageren
  2. Jikke Verhulst

    Dank je wel Jozien. Ik ga dit verhaal maar eens aan een cliënt sturen die sinds 2 jaar bij mij komt en die een kind heeft waar mee rondgezeuld wordt in de GGZ. Crisisopname, uithuisplaatsing, behandelingsplannen wegens agressief gedrag. Iedereen is er druk mee.
    De vader weet niet wat er aan de hand is. Ik zeg hem steeds: ‘vraag het hem!!’ Het kind zegt: ‘Ik voel me niet gehoord’. Mijn cliënt weet nog steeds niet waar en wanneer zijn zoon zich niet gehoord voelde (hoewel mijn opmerking hem wel aan het denken zet en hij zelf al voorbeelden kan noemen waar hij niet heeft geluisterd, maar dat doet hij in zijn eentje bij mij). Wie gaat hier in godsnaam eens gewoon met die ouders erbij zitten en ze gewoon laten luisteren naar het kind. In mijn optiek wordt het alleen maar erger door de hele hulpverlening zo hoog op te tuigen (problematiseren, diagnosticeren, psychologiseren) ipv te zeggen: verplicht met elkaar zitten en luisteren naar elkaar en elkaar vertellen wat het hen doet.
    Ondertussen heb ik het zo te doen met de jongen, terwijl ik hem nog nooit heb ontmoet…..

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *