Auteursarchief: JozienW

De ‘sorry dat ik besta’ paradox

‘Ja maar, wat heeft het voor nut om me uit te spreken?’ vroeg mijn cliënt, een meisje van een jaar of vijftig mij laatst. ‘Wat levert dat me nou op? Iedereen wordt alleen maar boos op me’.

Mijn tenen worden nooit zo krom, als wanneer er weer zo’n ‘sorry-dat-ik-besta’ meisje voor mijn neus zit. Sorry-dat-ik-besta-meisjes kunnen gerust zestig of tachtig jaar worden, maar het blijven meisjes. Brave, schattige meisjes die bang zijn voor de grote boze wereld en zich schikken naar wat die wereld van hen verlangt.

Uiteraard zijn er ook ‘sorry-dat-ik-besta’-jongetjes, maar ze zijn enorm in de minderheid, vandaar dat ik het nu even over de meisjes heb.

Het zijn het soort meisjes die onderweg honger krijgen en dan aan hun man vragen of hij misschien trek heeft. Hij antwoordt ‘nee’ en ze rijden door. Ze vraagt het nog eens en hij zegt weer ‘nee’ en aan het einde van de rit wordt ze stilzwijgend boos en haar man begrijpt geen snars van wat er zich heeft voorgedaan. ‘Als je honger hebt en je wilt ergens stoppen, dan zeg je dat toch gewoon?’ denkt hij. Maar zij wilde niet tot last zijn.

Vroeger trok ik mijn wenkbrauwen op en liep hen straal voorbij. Sorry, geen tijd voor en geen zin in, dacht ik dan. Ik was toen nog geen therapeut.

Een van de leukste dingen aan volwassen worden vond ik dat ik eindelijk kon doen wat ík wil. Daar had ik zon achttien jaar naar uitgekeken en toen die fase plots was gearriveerd, heb ik die volledig omarmd en ten volle benut. Ik kon me dan ook niet voorstellen waarom je door het leven zou willen gaan met een ‘sorry-dat-ik-besta’-mentaliteit.

Je bent een volwassen vrouw, je mag stemmen op wie jij wilt, uitslapen zolang jij wilt, pizza voor ontbijt eten als jij dat wilt, de mogelijkheden zijn eindeloos. Waarom zou je jezelf beperken?

Toen ik therapeut werd kwam ik er natuurlijk achter dat de meeste mensen met zo’n mindset dit ook helemaal niet willen, maar nooit geleerd hebben om zich überhaupt af te vragen wat ze willen, laat staan om stelling te nemen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met hoe je opgroeit.

Ik moest het zelf uitzoeken, mijn plaatje werd niet ingevuld, er waren geen verwachtingen. Al jong moest ik mezelf handhaven in een onstabiele omgeving. Weten wat ik wilde, een plan maken en mijn eigen weg gaan, dat was voor mij cruciaal.

Als je echter opgroeit in een omgeving waar van alles van je wordt verwacht, waarin niet echt naar jou wordt geluisterd, of waar je alleen liefde of aandacht kreeg als je je netjes gedroeg, dan kan het zijn dat je geen idee hebt wat je wilt of hoe je voor jezelf opkomt, of wat het nut daarvan überhaupt is.

Inmiddels is mijn tolerantie dus flink gegroeid en kan ik zelfs een paar van dit soort meisjes tot mijn vrienden rekenen. Doordat ik een enorme sympathie voor hen heb ontwikkeld, kunnen ze mijn ongeduld meestal ook verdragen. Stuk voor stuk zijn het eigenlijk krachtige, volwassen vrouwen met veel in hun mars, maar ze verschuilen zich vaak achter dit meisje, in een poging zich af te schermen voor kritiek en gedoe. Dat heeft in hun leven ongetwijfeld voor hen gewerkt, maar ergens gaat het uiteindelijk wringen.

Mijn kromme tenen blijven dus wel, zo nu en dan. Maar dat is goed, dat is helpend. Kromme tenen wijzen naar jezelf. En doordat ik bij mezelf te rade ben gegaan, heb ik hier best wat zinnigs over te zeggen.

Terug naar het meisje van vijftig. Wat heeft het voor nut om je uit te spreken? Als rebel in hart en nieren weet ik niet eens waar ik moet beginnen om deze vraag te beantwoorden.

Wat heeft het voor nut om het niet te doen? Doordat je het niet doet, zit je bij de psycholoog of therapeut op de bank. Doordat je het niet doet, heb je misschien wel hartkloppingen, migraine of altijd een slecht humeur. Doordat je je niet uitspreekt, kent niemand je echt en heb je misschien geen echte vrienden. Of vraag je je altijd af of ze nog steeds je vrienden zouden zijn als ze wisten wat er echt in je omging. Doordat je je niet uitspreekt, krijgt niemand hoogte van je en ben je dus eigenlijk heel lastig, iets wat je ten allen tijde zo graag wilde vermijden. Je bent gevangen in een eeuwige vicieuze cirkel: de ‘sorry dat ik besta’-paradox.

Je wilt zo graag geaccepteerd worden om wie je bent, maar wie ben je nou eigenlijk? Wat wil je? Hoe moet ik weten wat jij wilt en hoe kan ik rekening met je houden als jij je niet uitspreekt? Verrekte lastig ben je eigenlijk. Niet gek dat de meeste mensen je maar in het hokje stoppen dat hen zelf het beste uitkomt. En je dus nooit echt zien voor wie je bent. Jij schikt je er wel naar en dat is voor iedereen wel zo handig. Behalve voor jou dan. Maar ja, dat ben je wel gewend en je wilt geen ruzie. Totdat…

En dan zit je bij de therapeut en vraag je terecht: ‘wat levert het mij op?’

Laat me je vertellen over Beth. Beth is een huisvrouw van vijfenzestig, ze woont in Amerika en houdt van koken. Ze was tot voor kort een sorry-dat-ik-besta-meisje. Ik ken haar van een facebookgroep voor kookliefhebbers. Beth wilde gezonder gaan eten, maar haar gezin wilde niet meedoen. Dus kookte ze elke dag twee aparte maaltijden, waar ze uiteraard doodmoe van werd. Dat er nooit een bedankje kwam, hielp niet mee. Dat er nooit hulp werd aangeboden met tafel dekken of de afwas, hielp ook niet mee. En dat niemand überhaupt ooit iets in het huishouden deed, daar was ze eigenlijk goed van over de zeik, maar dat zou Beth nooit zo zeggen. Beth schikte zich in haar rol, en daar had ze allerlei goede redenen voor. Ze wilde graag een goede echtgenote en een goede moeder zijn voor haar kinderen. En iemand had haar ergens op haar levenspad wijsgemaakt dat goede moeders en echtgenoten sloven en sloven zonder er iets voor terug te verwachten, tot de dood er op volgt.

Maar, mede door de kromme tenen van andere vrouwen met wie Beth online wel haar frustratie durfde te delen, kwam er een abrupt einde aan haar gesloof. Beth kondigde thuis met de pollepel in de hand (althans, zo stel ik mij dat graag voor), aan dat het afgelopen was met de pret. Ze ging op een retraite, een heel weekeind weg, met andere kookliefhebbers, en haar man en kinderen konden het eventjes uitzoeken. Commotie alom in het gezin natuurlijk, en drie facebookoverleggen later vond ze de kracht om ondanks al haar zorgen (zouden ze het overleven, die man en kids?) tóch te gaan.

Ze kwam terug als een herboren vrouw en heeft nooit meer twee maaltijden op een avond gekookt. Maar wat belangrijker was, deze keuze om eindelijk eens te doen wat zij zelf wilde, had haar bevrijd. Wat bleek nou, dat halve weekeind zat vol met vrouwen zoals zij. Allemaal hadden ze allerlei bezwaren moeten overwinnen, van zichzelf en hun naasten, maar ze waren er wel en ze waren vrij! Al was het maar voor even. En dat even smaakte naar meer.

Het laatste bericht toonde Beth haar nieuwe sokken met de opdruk ‘Kindly fuck off’. Ze was met de dames van de kookclub op pad geweest en ze hadden allemaal een dergelijk paar aangeschaft om hen, verborgen maar toch, te sterken in het voornemen niet meer met zich te laten sollen. Beth sloot haar bericht af met: ‘And that is how I found my tribe’.

Dat is dus wat het je oplevert: je vindt je ‘tribe’, jouw clubje gelijkgestemden, pas als je jezelf echt laat zien en gaat doen wat jij wilt. Overigens hoeft dat niet altijd te betekenen dat je nieuwe mensen op je pad vindt en oude moet laten gaan. Beth vertelde tussen neus en lippen door ook nog even dat zij en haar man aan een ‘second honeymoon’ waren begonnen. If you know what I mean.

Na de initiële ruzies over het wegvallend gemak, vond haar man de vrouw weer terug op wie hij ooit verliefd was geworden: een vrolijke meid die geniet van het leven. Op zulke momenten is het helemaal niet erg om weer even een meisje zijn.

Herken je jezelf in dit verhaal? Vraag je dan eens af wat jij nou eigenlijk wil. En ga het halen, of het nou dat laatste stokbroodje is of die salarisverhoging.

Gaat het om diepere dingen, weet je bijvoorbeeld niet eens wat je zelf wil, of heb je je dat nog nooit afgevraagd? Wordt je zenuwachtig bij het idee om voor jezelf op te komen? Dan is de stap naar een therapeut of psycholoog misschien wel een goed idee. En als je bang bent dat mensen daar iets van vinden, kun je altijd nog met een grote glimlach zeggen: ‘Kindly fuck off’. Op therapeutische basis.

Gewoon ‘doen’

‘Je moet het gewoon doen’ zei de ene uitgebluste moeder tegen de andere. Ik belandde in een online gesprek over verminderde zin in seks, na het krijgen van een kind.

Iedereen had er een oplossing voor en er leken twee kampen te ontstaan. Kamp ‘trek gewoon een mooi lingeriesetje aan en maak zin’ en kamp ‘stuur hem naar de badkamer met zijn eigen probleem’.

Vrouwen zijn van oudsher  geneigd zich te schikken. Eeuwenlang voldeden we aan onze ‘huwelijkse plicht’ bij zin en tegenzin, zonder te mopperen.  Gelukkig hebben we sinds enkele decennia het feminisme, we komen nu voor ons zelf op! Sommigen van ons kunnen dat enorm goed en sturen dan onze man naar een hoekje in het huis waar hij niet lastig is. Liefst schaamt hij zich ook nog voor zijn behoefte. Wij hebben ons tenslotte ook jarenlang geschaamd.

Maar willen we wraak? Of willen we verbinding?

Ook als therapeut of psycholoog ben je al snel geneigd om het probleem te willen oplossen. Soms is ‘gewoon doen’ best een goed advies. Soms is ‘gewoon niet doen’ ook een goed advies. Om te weten wat het beste advies is, moet je afstemmen op de mensen die je voor je hebt. Op hun verhaal, hun pijn, hun angst of afgewezenheid. Zelden gaat het alleen maar over seks.

En laat afstemmen op elkaar, nu net de oplossing voor dit probleem zijn. Altijd.

Een collega-therapeut  van me vertelde eens, temidden van een groep vrouwen, dat zijn vrouw soms gewoon zin maakte voor hem. En dat ze dat prima vonden allebei. Stel je voor.

Het is een beetje zoals dat je geen grapjes mag maken over Joden, of Afrikanen, tenzij je er zelf één bent. Alle vrijgevochten geëmancipeerde  vrouwen stonden direct op hun achterste benen. Dat hij als man zoiets ongevoeligs durfde te zeggen! Kon hij het niet gewoon respecteren als zijn vrouw geen zin had?

Wat we dan over het hoofd zien is dat geen zin hebben nog niet een probleem an sich is. Geen zin hebben is iets heel anders dan weerstand hebben, of pijn of angst. Of echt veel te moe zijn. Of grenzeloos zijn. Mensen, en therapeuten soms in het bijzonder, zijn ontzettend goed in het problematiseren van dingen, want problemen zijn nu eenmaal ons werk.

Ik heb ook heel vaak geen zin om de afwas te doen. Soms laat ik hem staan en dat is oké. Soms doe ik hem toch en dat is dan toch wel fijn achteraf. En soms sta ik alsnog swingend met afwasborstel in de hand te poetsen voor het vaderland. Als je begrijpt wat ik bedoel.

Zolang je je vrij voelt om ‘nee’ te zeggen, is het soms ook prima om ‘ja’ te zeggen. Maar dat kan alleen in verbinding.  Zodra we elkaar gaan beschuldigen of dwingen, is die vrijblijvendheid weg.

Een verschillende behoefte hoeft dus niet perse problematisch te zijn. En ook geen uitdaging, voor de oplossingsgerichten onder ons. Als er verbinding is, dan kan het verschil er gewoon zijn, je kan er samen om lachen, om huilen, over praten, elkaar tegemoet komen, of niet en daar dan vrede mee hebben, of niet, en daar dan weer op terugkomen. Knuffelen, of juist niet. Zonder elkaar af te wijzen, te beschamen, te dwingen of weg te sturen. Zonder je eigen behoefte weg te stoppen, je te schikken, over je grenzen te gaan en al die andere dingen die we geneigd zijn te doen als we elkaar niet meer kunnen vinden.

Verbinding dus. Makkelijker gezegd dan gedaan. Je zou er bijna voor gestudeerd moeten hebben. Voor vrouwen is er vaak alleen seks mogelijk als er verbinding is, voor mannen is seks meestal de makkelijkste weg naar verbinding. En dat kunnen we vaak maar heel moeilijk begrijpen van elkaar.

Als je een kind hebt gekregen, spelen er ook nog een hoop andere dingen mee, zoals hormonen, moeheid, verschuivingen in zelfbeeld en relatiepatronen. En dan is het niet gek als je de verbinding even kwijt bent. Of er achter komt dat daar eigenlijk al langer iets mist. Dat is geen schande.

Bij een andere collega hangt een briefje op de toiletdeur met ‘zoek elkaar, niet de oplossing’.  Als dat niet lukt, dan is er hulp.  Het maakt niet uit of dat een psycholoog, een seksuoloog of een therapeut is. Als het maar iemand is, die verbinding kan maken met jullie allebei.

Therapie dus. Gewoon doen.  

Symptoomkind

‘We hebben alles geprobeerd, maar Amir blijft maar andere kinderen slaan. Thuis is hij al helemaal niet te hanteren. Hij heeft maling aan de regels en aan ons. Iemand moet hem weer in het gareel krijgen’. Aan mij de schone taak.
De moeder van Amir was, net als vele ouders van symptoomkinderen, radeloos en deed een beroep op de hulpverlening om haar kind ‘weer in orde te maken’. Of om toch tenminste te vertellen wat er aan de hand was met Amir, waarom hij zo raar deed.
Maar er was eigenlijk niet zoveel aan de hand met Amir, als wel met het hele gezin. De reactie van Amir was voor hem een hele functionele. Thuis bouwde hij frustratie op, die hij niet kwijt kon. Onder woorden brengen wat er thuis speelt, als je überhaupt al het besef hebt wat er precies mis is, is te veel gevraagd voor een kind van tien. Amir raakte zijn frustratie enigszins kwijt door te slaan. Hij wist eigenlijk wel dat het verkeerd was, maar hij had een paar keer gezien dat het voor zijn vader zo werkte. En een andere manier om zijn gevoelens te uiten had hij niet. Hij was tenslotte tien en geen prater. Andere kinderen wilden niet meer met Amir spelen. Hij had geen vriendjes. Daar raakte hij weer extra gefrustreerd en verdrietig van. Amir had thuis en op school niemand die hem begreep. Amir’s gedrag verergerde met de jaren en hij werd als onhandelbaar bestempeld.
Kinderen zoals hij worden regelmatig ‘uitgeleverd’ aan de hulpverlening. ‘Wij weten het niet meer. Jij hebt er toch voor gestudeerd?’
En dat is pijnlijk, in eerste instantie voor het kind, maar ook voor de ouders. Zij zijn in een machteloze positie beland. Moeten toegeven dat het je zelf niet meer lukt, als het op je kind aankomt, is moeilijk. En het is ook precies de reden waarom mensen zo laat bij de hulpverlening aankloppen, vaak als de situatie al helemaal uit de hand gelopen is.

Door gesprekken met het gezin van Amir kwam ik er achter dat de ouders al jarenlang in een relatiecrisis verkeerden. Vader was kritisch en direct, moeder was teruggetrokken en een stuk stiller. Dat was niet altijd zo geweest. Toen ze trouwden (hun huwelijk was door de families gepland, ze kenden elkaar voorheen nog niet), was moeder een uitgesproken, opgewekte vrouw. Een beetje eigenwijs zelfs. Dat botste met de directheid van vader, die dingen graag op zijn manier had. Een aantal keer waren ruzies uit de hand gelopen en was het tot geweld gekomen. Amir had dit gezien toen hij nog heel klein was. Ouders waren hier beiden erg van geschrokken en hadden besloten dat dit niet meer mocht gebeuren. Ze vonden een nieuwe modus om met elkaar om te gaan, helaas eentje waarbij vader de dienst uitmaakte en moeder zich schikte. Moeder kwam zelf uit een gezin waar haar moeder zich schikte naar de wensen van haar vader en had dus geen betere oplossing voorhanden. Aankloppen bij de hulpverlening was iets dat in hun cultuur ‘not done’ was volgens hen. Maar ze baalde ervan om zo te leven, ze had zich nog zo voorgenomen om niet zoals haar moeder te worden. De gedachte dat haar kinderen zouden opgroeien met geweld was echter nog veel ondraaglijker, dus zij schikte zich in haar rol. Vader was ook niet gelukkig, hij miste de vrolijke vrouw met wie hij getrouwd was. Maar er was hem verteld dat dat nu eenmaal gebeurde, ‘het huwelijk maakt vrouwen zuur’. Dat had hij bij zijn eigen ouders ook gezien. Af en toe kwam het nog tot een woordenwisseling, maar de ouders van Amir waren grotendeels langs elkaar heen gaan leven, waarbij er over en weer functioneel werd gecommuniceerd.
Voor Amir was de situatie zoals die was. Hij kende niets anders, dus zou je ook met geen mogelijkheid kunnen vertellen waar het thuis aan schortte. Maar zijn gedrag vertelde mij heel veel. Het vertelde mij over opgekropte energie en een gemis aan warmte en begrip. Bij alle gezinsleden welteverstaan.
Kinderen als Amir kun je niet helpen zonder de ouders te helpen. Dat is dweilen met de kraan open. Sterker nog, de enige manier om Amir te helpen op dit punt in zijn leven, is om de ouders te helpen. Maar dan lopen we aan tegen de grenzen van de institutionele hulpverlening. Want instanties voor Jeugdhulp doen geen relatietherapie.
Maar dat is wel wat Amir het meeste nodig heeft: een thuissituatie die warm en veilig is. Twee ouders die het goede voorbeeld geven, zodat hij niet later in zijn leven gaat doen wat zijn vader deed. Hulpverleners die bij een instantie werken zijn hier niet schuldig aan (al zou een meer gezinsgerichte blik vaak op z’n plaats zijn). O.a. via de jeugdwet subsidieert de gemeente allerlei hulpverlening voor jongeren. Instanties draaien grotendeels op deze subsidies en mogen daarom geen relatietherapie aan ouders aanbieden. Soms, als de problematiek goed in beeld is, worden ouders verwezen naar een relatietherapeut en dat is dan al heel wat. Het volgende probleem is echter dat relatietherapie niet wordt vergoed. Niet door de verzekeraar en ook niet door de gemeente. En goedkoop is het zeker niet. Daar valt tegen in te brengen dat het een stuk goedkoper is dan uit elkaar gaan. Maar vertel dat maar eens tegen een gezin dat de eindjes aan elkaar moet knopen. En dus gaat het verhaal van het symptoomkind verder, van generatie op generatie.

Kinderen en jongeren ontwikkelen niet zomaar uit het niets problemen. (Volwassenen overigens ook niet.) Bijna altijd is het een reactie op de thuissituatie. Dat is geen beschuldiging. De perfecte ouders bestaan niet, en bijna iedere ouder heeft het beste voor met zijn kind. Maar we hebben allemaal onze blinde vlekken en mankementen en vaak dragen we die van generatie op generatie over.
De taak van de hulpverlener is om deze patronen op te sporen en zichtbaar te maken, zodat er iets beters voor in de plaats kan komen. Dat gaat niet als je je enkel richt op het individu dat de symptomen vertoont. Individueel werken is als een plantje oplappen en vervolgens weer terugzetten in de oude, ongezonde aarde waar het uit kwam.
Laat je je er toe verleiden om met het kind alleen aan de slag te gaan, dan begin je al verkeerd. Door een kind of jongere individueel in behandeling te nemen, bevestig je impliciet dat hij of zij het probleem is. Voor een kind dat zich toch al de zondebok voelt of ervan overtuigd is geraakt dat er iets mis is met hem of haar, is deze bevestiging erg pijnlijk.
Het kan natuurlijk zo zijn dat de oorzaak van het probleemgedrag niet in het gezin ligt, maar dan nog is de boodschap: ‘ga het maar alleen uitzoeken met de hulpverlener’ er eentje waarbij het kind in de steek gelaten wordt.
Nu kun je natuurlijk stellen dat je als gezinstherapeut bij een instelling wel met het hele gezin kan werken, dus iedereen samen in therapie. Daar kom je vaak ook een heel eind mee. Je kan meer onderling begrip creëren en destructieve patronen tussen ouders en kinderen proberen om te buigen. Maar als de destructieve patronen tussen ouders onderling blijven voortbestaan, kan het gezin nooit helemaal weer gezond worden. In situaties zoals die van Amir (en die zijn eerder regel dan uitzondering), is relatietherapie nodig. Ouders hebben vaak nog dingen met elkaar uit te zoeken waar de kinderen niet bij moeten zijn.
Dan is het tijd om het symptoomkind te bedanken dat het aan de bel heeft getrokken, en de verantwoordelijkheid weer te leggen waar die hoort, namelijk bij de ouders. Die hebben werk te verzetten. Voor mij is Amir de held in dit verhaal. Hoe het voor dit gezin afliep weet ik niet. Zij zijn een van de vele gezinnen waar geen geld was voor relatietherapie. Misschien zie ik Amir in de toekomst met zijn eigen gezin.

Tuinhuistherapeut versus zielenknijper

‘Dat behandelen we hier niet’: één van de meeste funeste uitspraken in de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg. We behandelen namelijk geen mensen meer tegenwoordig, enkel aandoeningen. Je kan hier terecht voor je ADHD, maar moet het verderop zoeken voor je eetstoornis. En die doodswens van je, daar willen we onze vingers al helemaal niet aan branden. Misschien wel bij de instelling dertig kilometer verderop, maar daar is een wachtlijst van drie maanden.
Het maakt het er voor de hulpzoekende mens niet gemakkelijker op. Gezien deze gang van zaken is het natuurlijk niet vreemd dat veel mensen de overstap maken naar een vrij gevestigd therapeut, door een voormalig collega minachtend ‘tuinhuistherapeut’ genoemd. De tuinhuistherapeut behandelt namelijk wél mensen.

De laatste keer dat ik de tenenkrommende uitspraak ‘dat behandelen we hier niet’ hoorde was op een voorlichtingsbijeenkomst met het team, toen ik nog in de psychiatrie werkte. De psychiater was een alleenheerser van het strenge moedertype, een rasechte zielenknijper. Als tuinhuistherapeut mag je dit soort termen gewoon bezigen, nog een reden om voor jezelf te beginnen.
Laten we voorop stellen dat zeker niet alle psychiaters zielenknijpers zijn -sommigen zijn zelfs erg sympathiek-, maar zij was het wel. Afijn, de zielenknijper in kwestie gaf een voorlichting over borderline. Nu is borderline een persoonlijkheidsstoornis, ofwel as II problematiek, terwijl de psychiatrie zich enkel bezighoudt met klinische stoornissen, de as I problematiek.
De mensen die in de psychiatrie belanden, hebben vaak problematiek op beide gebieden, dus het leek me niet meer dan logisch dat wij ons inderdaad ook eens zouden buigen over as II. Dus ging ik zeer opgetogen naar de bijeenkomst, klaar om overdonderd te worden met nieuwe inzichten.
Overdonderd werd ik zeker. De voorlichting begon veelbelovend. De zielenknijper beschreef het grote probleem van elke borderliner: niemand vindt hen aardig. Ja, soms juist wel, maar dat duurt meestal niet zo lang. Door hun gedrag jagen ze vroeg of laat iedereen op stang.
Binnen de hulpverlening hebben borderliners een enorme reputatie vanwege hun talent om mensen tegen elkaar uit te spelen, zelfs hele teams te ontwrichten. Dat doen ze niet uit vermaak. Mensen hebben altijd een goede reden voor slecht gedrag, dat is één van de eerste dingen die ik leerde als tuinhuistherapeut. Ik wachtte dan ook geduldig op een uitleg waarom borderliners doen wat ze doen, wat hun pijn en nood en behoeftes zijn en waarom we met z’n allen meer sympathie voor hen zouden moet opbrengen. Of op zn minst meer begrip. Maar dat kwam niet. Zielenknijpers hebben weinig op met pijn en nood en behoeftes, ze kijken voornamelijk naar gedrag. En dat is dan goed of fout, of in nettere termen ‘gezond of ongezond’. Bij ‘ongezond gedrag’ het liefst direct pillen er in.
Nadat wij met z’n allen de onafwendbare conclusie hadden getrokken dat borderliners toch wel erg ongezond gedrag vertonen, kwam de logische volgende vraag vanuit het team: ‘Hoe gaan we dan met dat gedrag om?’ Daar kwamen we tenslotte voor.
Het antwoord galmde in al zijn vastbesloten nietszeggendheid door de ruimte: ‘Niet, want dat behandelen wij hier niet’.
‘Ja maar ‘…’ (concreet voorbeeld van lastig borderlinegedrag). Hoe moet ik daar op reageren?’
‘Niet, want dat behandelen wij hier niet.’
‘Maar ik heb er toch mee te maken.’
‘Ja maar we behandelen het hier niet.’
Dit is precies wat van een psychiater een zielenknijper maakt. Het benoemen van wat ‘fout’ en ‘slecht’ is, zonder enige context: lekker knijpen in die ziel en kijken wat er gebeurt.

Laten we even voorop stellen dat het niet mogelijk is om ergens ‘niet op te reageren’. Gedrag negeren is ook een reactie. En je zou je kunnen afvragen of dat een gezonde reactie is. Of überhaupt een mogelijkheid.
De situatie die mijn collega schetste was als volgt: Eén van de patiënten haalde altijd iets uit, net aan het einde van zijn dienst, waardoor hij uiteindelijk langer bleef. Hij vond dit zo langzamerhand vervelend worden. Soms begon deze patiënt net een open gesprek, terwijl ze tegen anderen nooit open was. Andere keren zorgde ze ervoor dat ze net op dat moment lichamelijke zorg nodig had. De lichamelijke zorg is een taak van de verpleegkundigen, die mag niet worden genegeerd. Het gesprek afkappen op tijd lukte ook nooit.
Waar borderliners verder bekend om staan, is dat ze bij de ene collega klagen over de andere. En als er niet op wordt gereageerd, doen ze er een schepje bovenop, net zolang tot je er wel wat mee moet. Want stel dat die ene collega, die toch al af en toe zo raar uit de hoek komt, haar echt heeft aangerand? Of hem echt onnodig in de houdgreep heeft genomen? Dit soort dingen moet je altijd serieus nemen, dat staat niet voor niets in de protocollen. Borderlinegedrag te lang negeren, zorgt juist voor ontwrichting van je team. Dus hoe reageren we dan wel? Een legitieme vraag, die een antwoord verdient.

Sorry beste collega, dat het zo lang heeft geduurd. Als tuinhuistherapeut voelde ik mij niet geheel serieus genomen en ik was ook een beetje bang om heel hard in mijn ziel te worden geknepen. Ik ben ook maar een mens. Zo ook elke borderliner die je pad kruist. Het zijn mensen met pijn en nood en behoeftes. Maar omdat je hen hebt gereduceerd tot ‘patiënt’, weet je ineens niet meer hoe je moet reageren. Waarschijnlijk weet je precies hoe je zou reageren als je zus of je buurvrouw zulk gedrag vertoont. Dan zou je er wat van zeggen, je grens aangeven, vragen waarom ze dit doet, wat dan ook, een reactie die voor jou natuurlijk is, van mens tot mens. Maar eenmaal achter de deuren van de hulpverlening vragen we ons af hoe we op de stoornis moeten reageren, in plaats van op de mens. En dan wordt het moeilijk. De mens is zijn stoornis geworden: een patiënt.
En patiënten blijven doen wat ze doen, omdat wij ook blijven doen wat we doen. Sterker nog, ik durf te beweren dat ze in de eerste plaats zo gek zijn gaan doen omdat er gek met hen werd omgegaan. Stoornissen zijn meestal uit de hand gelopen copingmechanismen. En die mechanismen hebben patiënten hard nodig in een omgeving waarin zij tot hun problematiek worden gereduceerd, anders blijft er helemaal niets meer van hen over.
Maar waarom zijn borderliners dan precies gaan doen wat ze doen en wat is hun pijn en nood en behoefte? En waarom zouden we meer sympathie voor hen moeten hebben of op z’n minst meer begrip? Ik kom er heel graag iets over vertellen in jouw team. Ook zielenknijpers zijn van harte welkom.

 

Depressief

Ze zeiden dat hij depressief was. Leo had zijn schouders opgehaald. Een naam verandert niets aan hoe je je voelt. Ze hadden er maanden over gedaan om tot die conclusie te komen: depressief.
En toen kreeg hij pillen, en nog meer pillen en toen die niet werkten weer andere pillen. Deze pillen werkten wel, ze hielpen hem minder te voelen. Minder frustratie, angst, boosheid. Minder scherpe randjes. Dat was voor Leo en zijn vrouw in eerste instantie een opluchting. Er kwam een beetje rust. En toen… een uitvergrote leegte.

In je eentje kun je prima depressief zijn. Geen haan die er naar kraait. Boos zijn is ook geen probleem. Als je een gat in de muur slaat is het enige vervelende dat je er zelf tegenaan moet kijken. Maar Leo was niet graag alleen. Zijn vrouw Birgit was belangrijk voor hem, veel belangrijker dan hij haar ooit zou kunnen zeggen.
En daarom kwamen ze bij mij, een voor hen wildvreemde vrouw, met een paar diploma’s weliswaar, die zich zonder enige gene met hun relatie ging bemoeien. Het maakte Leo kwaad, ergens diep in zijn tenen, dat kon hij nog net voelen. Hij zou wel weer fout zitten, hij was tenslotte officieel depressief, dus officieel de boosdoener, nietwaar?
Als hij Birgit moest geloven in ieder geval wel, want die riep zo ongeveer elke dag: ‘Die depressie van jou verpest ons hele leven!’. En die depressie had hij nou eenmaal, dus hier kwam hij waarschijnlijk niet onderuit. Behalve misschien door strak naar de grond te blijven kijken. Alsof hij er gewoon niet was. Leo hield niet van confrontatie. Daar was namelijk voor hem nog nooit iets goeds uit gekomen.

Ik vond het moeilijk om contact te krijgen met Leo. Zijn vrouw had niet geheel toevallig hetzelfde probleem. ‘Dat komt door zijn depressie’, zei ze.
‘Dat kan goed zijn’, zei ik. ‘En wat doet het met jou?’
‘Ik word er niet goed van’ vertelde Birgit. ‘De eerste paar weken met die nieuwe medicatie was het lekker rustig. Eindelijk geen ellenlange ruzies meer. Geen geschreeuw. Maar ja, we praten nu ook niet meer echt. Ik weet niet wat er in hem omgaat. Hij sluit me buiten, en dan word ik boos.’
‘En wat gebeurt er dan?’
‘Dan maken we alsnog ruzie, maar het is anders dan vroeger. Ooit heeft hij me een tik verkocht en dat zal ik nooit vergeten. Ik ben ook blij dat dat niet meer gebeurt. Maar nu is er een nieuwe kwelling: het zwijgen. Dat is eigenlijk nog veel erger. Meestal zegt hij niks, terwijl ik kapot zit te gaan. Het kan hem gewoon niet schelen.’
Ondertussen zag ik Leo steeds strakker naar de grond kijken. Ik vroeg een reactie op de woorden van zijn vrouw. Hij haalde zijn schouders op. Ik vermoedde dat het voor hem heel moeilijk te verdragen was dat Birgit zo gefrustreerd was, en dat hij alleen de verwijten hoorde, en niet haar wanhoop. Via die weg kwamen we ergens, maar het duurde niet lang voor het contact weer stokte.
Het lukte Leo niet om te voelen wat er onder zijn woede zat. Ze vertelden over hun laatste ruzie, waarbij Birgit in haar frustratie tegen Leo had gezegd dat als hij dat zo graag wil, hij er maar een eind aan moest maken.
‘Ik ben gewoon boos op haar, verder niks!’ riep Leo gefrustreerd. ‘Zoiets zeg je toch niet tegen iemand die depressief is! Ik begrijp gewoon niet hoe je zo stom kunt zijn!’
Birgit zat er verslagen bij. ‘En ik begrijp niet hoe je hier wekenlang boos over kunt blijven. Ik heb al tien keer sorry gezegd. Wat wil je nou van me?’
Met een beetje sturing lukte het Birgit om te praten over haar onmacht. Dat ze helemaal niet wilde dat Leo er een eind aan maakt, maar dat ze het gevoel had dat hij ook niet echt leefde. Dat hij er tussenin bleef hangen en dat ze niet meer wist hoe ze hem moest helpen, terwijl ze dat zo graag wilde. Meestal als ik relatietherapie doe, geven dit soort uitspraken een doorbraak. Als de één kwetsbaar wordt, dan durft de ander dat ook. Maar Leo blokkeerde.
Ik was nieuwsgierig naar wat er bij hem van binnen gebeurde en realiseer me dat er onder die boze en harde buitenkant wel behoorlijk wat pijn en angst moest zitten. Maar wat ik ook probeerde, Leo gaf niet thuis. ‘Ik ben gewoon alleen maar boos. Waarom snapt niemand dat!’
Birgit gaat keek steeds wanhopiger naar mij. Ik begreep haar wanhoop en begon hem zelf ook te voelen.
‘Er zit altijd iets onder de boosheid, Leo’ zei ik. ‘En ik snap dat het misschien kwetsbaar voelt om er naar toe te gaan, maar dat is wel de weg hier uit.’
Op het moment dat ik het zei, hoorde ik de strenge ondertoon in mijn eigen stem. Toen Leo weer zijn schouders ophaalde en naar de grond keek, wist ik het ook niet meer. Het was even stil, we zaten in een impasse. En toen zag ik de tranen in zijn ogen opwellen.
‘Dat zal wel weer’ zei Leo verslagen. ‘Dit gebeurt altijd.’
Leo vertelde dat hij bij een heleboel psychologen en therapeuten was geweest, die allemaal vroeg of laat met de therapie waren gestopt. Want hij ‘kan het niet of wil het niet’, was na verloop van tijd steeds de conclusie. En dan werd hij weggestuurd, zo ongeveer op het punt waar wij waren beland.
‘Maar ik weet het gewoon echt niet’ zei Leo verslagen. Hij keek me voor het eerst aan.
‘Ik wil wel, maar ik weet het niet, ik voel me alleen maar boos! Ik voel niets anders, het lukt me niet. Dus het zal wel waar zijn, dat ik niet geschikt ben voor therapie.’
Leo vertelde wat meer over alle behandelaren die hem vroeg of laat de deur hadden gewezen en ik realiseerde me dat hij het echt niet voelde en niet wist. En dat hij daar meermaals voor op zijn donder had gekregen. Afgewezen, niet geschikt voor therapie. Schuldig. Fout. Een bevestiging van wat hij zijn hele leven al hoorde. Wanneer Leo kritiek kreeg, koos hij er tot nu toe voor om weg te kruipen en zijn boosheid te onderdrukken. Dat had hij van jongs af aan geleerd, toen hij nog geen betere manier had om zichzelf te beschermen. Wegkruipen deed Leo soms in de slachtofferrol, maar ook in zijn depressie. Beide zijn plekken waar niemand je kan raken.

Hoe meer Leo in de depressie raakt, hoe meer afwijzing hij ontvangt, van anderen maar ook van zichzelf. En hoe meer afwijzing hij ontvangt, hoe depressiever hij wordt. Dit is hoe de depressie Leo in zijn greep heeft. Hij heeft nooit geleerd om de klappen van het leven op te vangen, omdat die klappen al begonnen waren toen hij niet weerbaar was, veel te jong om zichzelf te verdedigen of te kunnen relativeren.
Destructieve patronen van cliënten ontvouwen zich vroeg of laat ook in de spreekkamer. Voor Leo was de therapie op dit punt eerder altijd opgehouden. Maar voor mij is dit waar therapie juist begint. ‘Niet willen’ is vaak ‘niet durven’ of ‘niet weten hoe’. Als je een persoon op zo’n cruciaal moment de deur wijst, bevestig je het oorspronkelijke probleem eigenlijk. En dan heb ik het nog niet eens over hoe je de naasten in de steek laat. Want ook zij weten niet meer wat ze met de situatie aan moeten, daarom kwamen ze nou juist samen in therapie. Zelfs als iemand echt niet wil (want dat komt natuurlijk ook voor), kun je nog steeds de naasten helpen. En door dat te doen, help je degene die niet mee wil werken meestal ook. Niemand is ongeschikt voor therapie.
Een therapeut die je dat wijs probeert te maken, weet gewoon niet wat hij met je probleem aan moet. Hij loopt dan vast op hetzelfde punt waar jij vastloopt, in je eigen gezin of relatie. Het is dus eigenlijk een bevestiging dat je niet gek bent.
En depressie is inderdaad maar een naam, daar had Leo gelijk in. Voor hem stond depressie voor bescherming, wegkruipen, niet geraakt kunnen worden, door het leven dat zo hard en overweldigend kan zijn. Maar misschien betekent depressie in jouw leven iets anders. Of ben je daar nog niet achter. We kunnen samen op zoek gaan. Ik ben benieuwd naar je verhaal.

* De namen in dit verhaal zijn gefingeerd. Het verhaal is gebaseerd op dat van meerdere cliënten.

Professionele nabijheid

Tegen de muur praten, dat kunnen cliënten thuis ook. Professionele afstand wordt overschat. Nabijheid is de echte uitdaging.

In een sollicitatiegesprek werd me ooit gevraagd: ‘Lukt het je om professionele afstand te houden?’ Een standaardvraag die ook vaak in de vacature-eisen staat. In hulpverleningsland heerst de hardnekkige mythe dat het belangrijk is om afstand te houden van cliënten. We verwachten van hen dat ze hun problemen en kwetsbaarheden zonder pardon op tafel leggen, maar blijven zelf liever buiten schot.
Mijn antwoord was ‘Nee’. Daar keken mijn tafelgenoten wel van op. Altijd leuk, een beetje shockeffect tijdens zo’n standaardgesprek. Maar ik was bloedserieus. Want wat is er nou eigenlijk zo professioneel aan afstand? Na enig rondvragen en googelen kwam ik de volgende stellingen tegen.

‘Je moet cliënten niet belasten met jouw emoties’
Tegen de muur praten, dat kunnen cliënten thuis ook. Zelfde effect, maar dan gratis. Mensen komen in de eerste plaats naar een hulpverlener omdat ze gehoord en begrepen willen worden. En hulpverleners willen graag helpen. Maar hoe ga je mensen leren dat het oké is om emoties als boosheid of verdriet toe te staan, als je het zelf ter plekke zit te onderdrukken? Emoties zien als belastend, dat is de eerste stap om in de problemen te komen. We vertellen onze cliënten maar al te graag dat ze boos en verdrietig mogen zijn. ‘Laat het er maar uit Jantje, het is niet erg!’
En wij zelf dan? Als hulpverleners hebben we een voorbeeldfunctie, ook als het gaat om reageren met gepaste emotie. Soms kan dat zelfs betekenen dat je een traantje wegpinkt. Ik heb nog nooit gehoord dat mijn oprechte reactie als een belasting werd ervaren door cliënten. Sterker nog, keer op keer kreeg ik terug dat het hen opluchtte en vertrouwen gaf.
Laatst zei een cliënt nog tegen me: ‘Die psychiater waar ik een paar keer geweest ben daar had ik niets aan. Die zat alleen maar op z’n blocnote te schrijven en ik had geen idee wat hij dacht. Daar werd ik helemaal niet goed van. Ik vertelde de meest afschuwelijke dingen over mijn leven en hij knikte alleen maar. Bij jou voel ik tenminste dat ik met een mens praat.’
Dat is wat mij betreft waar vertrouwen begint, contact van mens tot mens. Mensen hebben emoties, en hulpverleners ook. Zelfs psychiaters.

‘Je loopt het risico over de grenzen van cliënten te gaan’
Ik durf te beweren dat het tegenovergestelde waar is. De psychiater in het bovenstaande voorbeeld is eigenlijk ongemerkt en onbedoeld over een grens gegaan, juist door zo op afstand te blijven. Het vergt vaak nogal wat van cliënten om zich emotioneel bloot te geven. Je levensverhaal vertellen, vol met pijnpunten, tegen iemand die niet of nauwelijks reageert, gaat op een gegeven moment steeds kwetsbaarder voelen. Als het een gesprek met een willekeurige vreemde was, zou je stoppen met vertellen, zodra je geen aansluiting meer voelt. Daar ligt namelijk een natuurlijke grens, die de meeste mensen vanzelf aanvoelen. Van beide kanten, spreker en luisteraar.
Maar in een hulpverleningssituatie wordt dit beeld vaak vertroebeld. De psychiater hoort meerdere schokkende verhalen op een dag, voor hem is het beroepsdeformatie. Hij laat zich niet raken, misschien omdat hij denkt dat dat niet professioneel is. En de cliënt praat maar door, misschien omdat hij denkt: het zal wel zo horen en misschien komt er straks een goed advies waar ik iets aan heb. Maar als dat advies uitblijft (omdat het nu eenmaal nog de ‘intakefase is’) of in een later stadium niet aansluit, komt de cliënt bedrogen uit. Zo kwetsbaar geweest en toch niet begrepen. Dat is vaak ook niet voor het eerst.
Natuurlijk is te dichtbij komen ook niet goed. Maar laten we wel wezen, de meeste hulpverleners hebben geen slechte bedoelingen. Vanwege die enkeling die zich in ons vak begeeft om misbruik te maken van de kwetsbaarheid van andere mensen, zijn we allemaal vreselijk voorzichtig geworden.
Een hand op iemands arm leggen is al bijna taboe, laat staan een knuffel geven. Terwijl sommige mensen dit harder nodig hebben dan tien gesprekken.
Ik vind dit zelf eerlijk gezegd ook wel eens lastig. Ik heb bijvoorbeeld nu een cliënt die ernstig seksueel misbruikt is door een vrouw. Soms heb ik de neiging om haar arm te pakken of even een hand op haar schouder te leggen als ik zie dat ze het moeilijk heeft. Tot nu toe heb ik dat niet gedaan, omdat ik vrees dat dit verkeerd bij haar binnenkomt. Ook mijn collega’s houden afstand. Maar wat voor boodschap krijgt deze vrouw, als niemand haar meer aan durft te raken, op een normale manier?
Alleen vanuit mijn betrokkenheid kan ik voelen wat ik haar gun, als ik op afstand blijf niet. En dan is het aan haar of ze aangeraakt wil worden of niet. Dat kan ik natuurlijk gewoon vragen.
Dat zelf mogen bepalen, dat is helend voor mensen. Juist bij die cliënten die moeite hebben om hun grenzen te bepalen kunnen wij als hulpverleners een veilige context bieden om grenzen te onderzoeken en er mee te oefenen. Erover praten helpt niet. Achteraf weet iedereen wel waar zijn grens lag. Het daadwerkelijk aangaan van het contact op dit niveau vergt natuurlijk van ons hulpverleners dat wij ons ook kwetsbaar opstellen. Of zou dat stiekem het probleem zijn?

Je moet je de problemen van cliënten niet te veel aantrekken, dan wordt je werkdruk te hoog en kun je bezwijken onder de stress’
Er zijn veel redenen waarom hulpverleners een burn-out kunnen krijgen. Hoge werkdruk is daar één van. De belangrijkste redenen voor hoge werkdruk zijn privéproblemen, teveel werk in te weinig tijd, en de papierwinkel die ons van het eigenlijke werk afhoudt. Dat zijn dingen waarvan een hoop hulpverleners last hebben, zeker sinds de bezuinigingen in ons vak.
Ik ben daarentegen nog nooit een hulpverlener tegengekomen die overspannen raakte door het leed van zijn cliënten. Het leed van onze cliënten is waarom we nou juist in het vak stappen, niet er uit. Wij als hulpverleners hebben allemaal op onze eigen manier het gevoel dat we iets kunnen betekenen voor anderen, dat we het leed wat kunnen verzachten. Onze kracht is dat we het ons juist wél aantrekken.
Stress treedt op wanneer het om de één of andere reden niet lukt. Niet lukt om je werk af te krijgen of niet lukt om van betekenis te zijn voor je cliënten. Als je steeds maar vastloopt. Dan haal je geen voldoening meer uit je werk en raak je ontevreden en gestresst. Vraag het een willekeurige arbo-arts.
Bovendien, als mensen het gevoel krijgen dat een hulpverlener zich niet zoveel aantrekt van hun problemen, zullen ze zich dan door diegene laten helpen? Zeker niet. Een afstandelijke hulpverlener is geen effectieve hulpverlener. En een ineffectieve hulpverlener is een gestresste hulpverlener.
Ik zou zeggen: Je moet je de problemen van cliënten dus vooral blijven aantrekken. Dan ben je het meest effectief, met de minste kans op overbelasting.

‘Ben je te emotioneel betrokken, dan staat dat het nemen van goede, rationele beslissingen in de weg’
Wij mensen zijn stuk voor stuk gezegend met zowel het vermogen tot rationeel nadenken als het voelen van allerlei nuttige emoties. Al zou je het soms niet zeggen. Bij de één is nu eenmaal de ratio meer ontwikkeld, en bij de ander het gevoel. Gelukkig sluit het één het ander niet uit. Dan zou de wereld bestaan uit enkel autisten en hormonale Hennies. Een disbalans kan wel voor problemen zorgen. En dit is precies waarom je als hulpverlener beide in huis moet hebben.
Auke de autist help je niet met een rationele benadering. Dit kent hij al en is hoogstwaarschijnlijk ook de reden dat hij is vastgelopen. En hormonale Hennie die zich altijd vrijpleit door haar tranen, help je niet door mee te janken. Dat is haar destructieve patroon. Toch zal hormonale Hennie zonder jouw empathie niet voor een tweede consult komen en zal Auke de autist je alleen vertrouwen als je ook iets kunt laten zien van jouw capaciteit tot logisch denken.
Het antwoord is aansluiten. Aansluiten bij je cliënt, dat kan alleen als je emotioneel betrokken durft te zijn. Laten we wel wezen, dit tast je verstand echt niet aan. Voor een puur rationeel antwoord bestaan er sites zoals Google en Wikipedia. Daar komen cliënten dus niet voor. Ze willen iemand die ook op gevoelsniveau met hen mee kan denken.
Als het je niet meer lukt om goede beslissingen te maken, dan is er waarschijnlijk iets anders aan de hand. Dan kom je je eigen blokkades tegen. Kan gebeuren, hulpverleners zijn ook maar mensen. Tijd om een derde in te schakelen die met je mee kan kijken, bijvoorbeeld een collega of supervisor. Liefst wel eentje die emotioneel betrokken wil zijn.

Ik heb mijn antwoord destijds natuurlijk wel een beetje toegelicht. Niet lang daarna ontving ik een enthousiaste uitnodiging voor een tweede gesprek. Dat had net zo goed anders kunnen lopen, maar zonder risico’s geen succes. Dat geldt ook voor de hulpverlening. Dichtbij durven komen, professionele nabijheid zullen we maar zeggen, dat is de echte uitdaging. Want hulpverlening is net het echte leven, zonder emotionele betrokkenheid is het niets waard.

p.s. Wil je reageren op deze blog? Dat kan op mijn facebookpagina.

Afbakbroodjesvisie

Je kunnen verantwoorden gaat over weten wat je doet en waarom je het doet, niet over het volgen van een protocol waarin met autistische precisie is vastgelegd wat er allemaal met een cliënt moet gebeuren, of die nou wil of niet.

Je kent ze wel: zo’n zesling van die witte afbakbroodjes in een plastic verpakking, gaan tegelijk de oven in en zijn allemaal tegelijk op tijd gaar volgens instructie. Iedereen die in de hulpverlening werkt, weet dat het met mensen niet zo eenvoudig werkt.
Ondanks dat elke hulpverlener dit weet, waait de ene na de andere trend door hulpverleningsland. Altijd is men op zoek naar de ‘beste en meest effectieve methode’. Alsof er stiekem ergens een universele gebruiksaanwijzing zou liggen voor de gehele mensheid, of zelfs voor een bepaalde groep mensen. Maar mensen zijn nu eenmaal geen afbakbroodjes.

Toch is men in hulpverleningsland dol op methoden, programma’s en procedures. En als de nood echt aan de man is, dan zijn er altijd nog de protocollen die ons van de ondergang zullen redden.
Als rebel in hart en nieren heb ik me daar altijd hardvochtig tegen verzet. Soms in stilte, soms openlijk. Dat werd mij meestal niet in dank afgenomen.
Ik herinner me dat ik een paar jaar geleden met een collega, laten we hem Gert noemen, sprak over het plan voor een eigen praktijk, en dat ik vol enthousiasme riep: ‘Alle methodiek en regeltjeszooi de deur uit! Kom ik eindelijk eens aan echt werken toe!’
Nu was Gert erg gesteld op de regels. Sterker nog, hij had pas een promotie gekregen tot teamleider, vrij vertaald naar zijn eigen hand: regeltjespolitie. En dat nam hij bloedserieus. Als er een formulier ontbrak in het dossier van een cliënt, dan was hij de eerste die aan je bureau stond om je tot de orde te roepen. Ik heb denk ik meer met hem staan discussiëren dan dat ik ooit tijd aan een cliënt heb mogen besteden destijds.
Het had mij dan ook niet moeten verbazen dat hij grote ogen opzette en stamelde: ‘Maar… hoe dan?’ Zijn verbouwereerde gezicht liep enigszins paars aan toen ik suggereerde dat ik liever gewoon contact maak met cliënten en zie waar het schip strandt.
‘Maar dat is toch niet professioneel! Je moet jezelf toch kunnen verantwoorden?!’ Riep hij vol afschuw uit.
Daar had Gert een punt. Je moet jezelf inderdaad altijd kunnen verantwoorden als hulpverlener. Maar een echte professional kan dat ook zonder methode of protocol. Je kunnen verantwoorden gaat over weten wat je doet en waarom je het doet, niet over het volgen van een protocol waarin met autistische precisie is vastgelegd wat er allemaal met een cliënt moet gebeuren, of die nou wil of niet.
Er is een hele wereld buiten de protocollen, een wereld waar ik Gert graag eens mee naartoe zou willen nemen. Niet voor de gezelligheid natuurlijk.
Een wereld waarin je zelf de koers bepaalt. Niet de gemeente, die geld wil besparen, en niet je baas die vooral de cijfertjes en dossiers op orde wil zien. Jij, met je cliënt, zoals hulpverlening ooit bedoeld is. Op de manier die het beste werkt voor je cliënt in zijn of haar situatie, in plaats van de methode waarin je toevallig recentelijk nog getraind bent.
Ironisch genoeg is dit ook de meest efficiënte manier van werken. Al decennia lang blijkt steeds opnieuw uit onderzoek dat de meest doorslaggevende factor voor het slagen van een hulpverleningsproces met afstand niet de methode is, maar de hulpverlener en zijn of haar vermogen om aan te sluiten bij de cliënt.
Je verantwoorden, dat moet je dus in de eerste plaats kunnen ten opzichte van je cliënt. En die ga je niet overtuigen door een stapel formulieren en een training op je c.v. Je cliënt overtuig je enkel en alleen doordat hij bij je de deur uit loopt en denkt: hier heb ik iets aan.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben niet tegen methodiek en tegen training. Ik vind het alleen idioterie om te denken dat je iedereen kan helpen met dezelfde benadering. Om cliënten in dat ene hokje te proppen dat jou het beste uitkomt. De afbakbroodjesvisie dus.
Het is een verrijking om te kunnen putten uit alle methoden en benaderingen die ik in de loop van de jaren heb meegekregen. Ik ben onder andere getraind in krachtwerk, seksespecifieke hulpverlening, geweldloos verzet, systeemgericht werken, oplossingsgericht werken, ervaringsgericht werken en Gestalt.
Over het één ben ik enthousiaster dan over het ander, maar in alle eerlijkheid gebruik ik het allemaal wanneer het zo uitkomt. Wanneer het mij, maar vooral de cliënt past. Ironisch genoeg werkt dat in de praktijk ook nog eens het meest snel en efficiënt.
Misschien heb ik dan toch die universele gebruiksaanwijzing van de mensheid gevonden. Maar ik reken er op dat er vandaag of morgen een cliënt komt die dat allemaal weer van de baan veegt. De krentenbol tussen de afbakpistoletjes. Of bijvoorbeeld een Gert. Want die had ook zeker zijn eigen gebruiksaanwijzing.

De komende tijd zal ik bloggen over de zin en onzin van verschillende hulpverleningsmethoden.

p.s. Wil je reageren op deze blog? Dat kan op mijn facebookpagina.